<< Click to Display Table of Contents >>

EERSTE BOEK

DE TEKST

 

EERSTE AFDELING

 

1. TJ‘IÈN / HET SCHEPPENDE

 

          ▬▬▬▬▬▬▬

          ▬▬▬▬▬▬▬   boven Tj’ièn, de hemel

          ▬▬▬▬▬▬▬   de weg van de witte wolk

          ▬▬▬▬▬▬▬

          ▬▬▬▬▬▬▬   beneden Tj’ièn, het Scheppende,

          ▬▬▬▬▬▬▬   de hemel voor het volk

 

Het teken dat hier als het eerste wordt vermeld is uit zes ongebroken lijnen samengesteld. De ongebroken lijnen zijn als symbolisch gedacht voor de lichte, sterke, geestelijke, actieve oerkracht. Het teken is op grond van zijn architectuur in zijn gesloten eenheid sterk van natuur. Daar het vrij van elke zwakheid wordt geacht, is zijn intrinsieke eigenschap de kracht. De kracht wordt voorgesteld en bevonden als niet aan vaste ruimteverhoudingen gebonden, en wordt daarom opgevat als beweging zonder beperking. Als grondslag van deze beweging komt de tijd in aanmerking. Op deze wijze komt dan ook het machtige feit, de onloochenbare macht van de tijd en de macht van het volharden in de tijd, de duur, in het teken tot uitdrukking aan de hand van zijn structuur.

 

Bij de verklaring van het teken dient men steeds het bestaan van een dubbele uitlegging in ogenschouw te nemen: de macrokosmische en de uitwerking ervan in de mensenwereld haar snel veranderende systemen. Toegepast op het wereldgebeuren wordt in het teken het product van de sterke scheppende werkzaamheid van de Godheid uitgedrukt.

Wanneer men het teken op de mensenwereld toepast dan betekent het als het ware steevast de scheppende werkzaamheid in de hogere regionen, zoals de heilige en de wijze ze vertonen; van de gebieder en leider der mensen, die ze prikkelt en door zijn kracht hun hogere wezen wekt en ontwikkelt.1

 

HET OORDEEL

 

            Het Scheppende bewerkt verheven welslagen,

            Bevorderlijk door standvastigheid uit te dragen.

 

Volgens de oorspronkelijke betekenis bestaat er een duidelijke verbintenis, die men ook in deze vertaling niet wil schrappen, tussen de hier genoemde begrippen of eigenschappen, en behoren in verband met het een en ander ze paarsgewijze bij elkaar, bij elkander. Voor degeen, die dit orakel verkrijgt, betekent dit, zelfs als er onheil dreigt, dat hem tenslotte in geuren en kleuren uit de oerdiepten van het wereldgebeuren, voorbij aan de geijkte wanakkoorden, welslagen van zijn streven zal geworden, en dat het er in de eerste plaats(!) op aankomt, dat hij richting bovenwaarts enkel en alleen uitsluitend door standvastigheid in het goede als een machtig feit zijn eigen geluk en dat van anderen zoekt, en op deze wijze werkelijke successen boekt.

 

Zeer vroeg in de loop van de geschiedenis heeft men reeds nagedacht over de betekenis van elk der vier eigenschappen in het bijzonder. Zodoende is het dan ook geen wonder, dat het Chinese woord, dat wij zoeven met ‘verheven’ hebben weergegeven, vanuit het zicht in dit licht bekeken ‘hoofd, oorsprong en groot’ blijkt te betekenen. Daarom ook staat er aldus in de verklaring van Confucius: ‘De oerkracht van het Scheppende is waarlijk groot, alle wezens danken hieraan hun ontstaan. Aan deze kracht staat de gehele hemel bloot, waar zij alles doordringt zonder teniet te gaan’. Omdat deze eerste eigenschap niet slinkt en daardoor ook de drie andere doordringt.

Het begin van alle dingen ligt voor alle tijdgenoten als het ware nog in de andere wereld besloten, als een veelheid van ideeën, die ― bij voorkeur zonder wanakkoorden ― nog verwezenlijkt moeten worden.

Maar in het Scheppende leeft dus tevens de kracht, een onloochenbare en  oppermachtige macht, met behulp van een standvastig streven aan deze oerbeelden van de ideeën vorm te geven, wat uiteraard in waardigheid voor oord door het woord ‘welslagen’ aangeduid wordt. Dit proces, waarop men hier zinspeelt, wordt weergegeven door een aan de natuur ontleend beeld.1 ‘De wolken gaan (veelal onopgemerkt), en de regen valt en werkt en versterkt, en alle wezens vloeien met hun gehalte in hun eigen, afzonderlijke gestalte.’

Op de menselijke wereld toegepast wijzen deze eigenschappen rotsvast een groot man, blijft deze bij de les, de weg die leidt naar groot succes: ‘Doordat hij met grote klaarheid efficiënt de oorsprong en de werkingen onderkent, beklimt hij zelfs in een woelig heden te rechter tijd de hoogste der zes treden, op welke hij te rechter tijd uiteraard, als op zes draken, ten hemel vaart.’

De zes treden zijn zo bekeken de zes afzonderlijke lijnen van het teken, die verderop specifiek vermeld en symbolisch als draken worden voorgesteld. Als weg naar het succes wordt hier de kennis genoemd en het verwezenlijken van de Universele Zin geroemd, die voortdurend in ieder facet als eeuwig-werkzame vaste wet, een wet die uit de aard van de zaak nimmer faalt, alle aan tijd gebonden vormen van begin tot eind bepaalt. Er blijkt dat elke trede die wordt bereikt tegelijkertijd de voorbereiding voor de volgende blijkt; de tijd is zodoende geen belemmering meer, doch slechts het middel om telkens weer in de loop van de (persoonlijke) geschiedenis dat te verwezenlijken, wat mogelijk is. Kwam door de begrippen ‘verheven’ en ‘welslagen’ de scheppingsdaad tot uitting en tot dragen in verband met de termen ‘bevorderend’ (woordelijk: fragment voor fragment datgene scheppend, wat zonder een gemis met het wezen in overeenstemming is) en ‘standvastigheid’ (woordelijk: recht en vast) wordt het werk van het instand-houden met al zijn last gekenschetst in het Boek der Veranderingen, het I-Ching, als een zich aanhoudend voltrekkende vormgeving. ‘Het Scheppende vormt en vervormt in zijn loop de wezens tot ieder zijn juiste hoop voor hem bestemde natuur heeft verkregen, en houdt hen dan met zijn zegen gedegen in overeenstemming met de filosofie van de kosmische Grote Harmonie. Zo betoont het zich als een machtig feit ‘bevorderend door standvastigheid’.’

 

Op het menselijke plan overgebracht blijkt hieruit, hoe goed doordacht de grote man door zijn ordenende werkzaamheid vrede brengt aan de wereld en veiligheid: ‘Doordat hij telkens de juiste toon treft en zich met het hoofd boven de menigte der wezens verheft komen bewust en onbewust alle landen tezamen tot rust.’

 

Een andere interpretatie gaat in haar streven met de onderscheiding der begrippen ‘verheven’, ‘welslagen’, ‘bevorderend’ en ‘standvastig‘ zoals blijkt nog verder doordat ze deze met de vier hoofddeugden vergelijkt: Het ‘ver-hevene’, als fundamenteel principe dat(!) alle andere eigenschappen tegen-lijkertijd in zich bevat, wordt hier uit de aard van de zaak geacht met de liefde in verband te worden gebracht. De zedelijkheid, die gefatsoeneerd de uitingen van de liefde ordent, organiseert en aldus tot positief resultaat te brengen weet, komt overeen met hetgeen ‘welslagen’ heet.

De rechtvaardigheid, die toestanden gelast, waarin een ieder datgene krijgt, wat bij zijn wezen past en voor hem zodoende permanent het geluk betekent, uit zich als ‘bevorderend’. De wijsheid, die volstrekt correct de vaste wetten van elk gebeuren ontdekt, en daardoor in staat is in de loop van de tijd duurzame toestanden te scheppen, blijkt uit de ‘standvastigheid’.

Deze bespiegelingen (tussen haakjes in hun geheel reeds ter sprake gebracht in het tweede deel van het Boek der Veranderingen in de commentaar Wen Jèn) hebben later dan gaandeweg een voor een de brug gevormd en de componenten tussen de filosofie van de Vijf Veranderingselementen (fasen), die (welkom tot het licht vanuit een hoger zicht) in het Boek der Oorkonden verankerd ligt, en de filosofie die het Boek der Veranderingen leert, die enkel en uitsluitend blijkt gebaseerd op de polariteit van alle de types van positieve en negatieve principes.

In de loop der tijden ― zo laat zich claimen ― werd door de combinatie van deze beide systemen de poort geopend door Jan publiek voor een steeds verder doorgevoerde getallensymboliek.1

 

HET BEELD

 

     De beweging van de hemel hangt van kracht aan elkaar.

     Zo maakt de edele zich sterk en onvermoeibaar.

 

Aangezien het feit van het beeltenis dat er onloochenbaar maar één hemel is, wijst de verdubbeling van het teken welks beeld de hemel is gebleken (Tj’ièn), op een beweging die nimmer staakt, namelijk op de beweging die door de hemel wordt maakt.

Een complete omwenteling van de hemel is een dag. De verdubbeling van het teken betekent met gezag, dat elke dag gevolgd wordt door een andere dag. Dit wekt bovendien de voorstelling van de tijd, en eveneens van het machtige feit ― waar het toch steeds dezelfde hemel wordt geacht, die zich beweegt met onvermoeide kracht ― van de krachtige duur in en boven de tijd, van een beweging, die als het ware met beleid nooit stilstaat of verslapt, zoals onafgebroken de ene dag niet van de andere blijft verstoken, maar als op de weg van de witte wolk de ene dag op de andere volgt. Deze duur in de tijd is het beeld van de kracht, die aan het Scheppende inherent is geacht.

 

De wijze neemt zich dit tot voorbeeld, en(!) vermag zich zodoende zo ver te ontwikkelen, dat er op deze wijze van vroeg tot laat een duurzame werking van hem uitgaat. Hij moet zichzelf, bevrijd van elk juk, vormen tot een gaaf mens uit één stuk, door alles wat omlaag trekt niet langer op te rakelen, maar door al het minderwaardige bewust uit te schakelen. Zo verwerft hij de onvermoeidheid, die bewust op een vast omraamd arbeidsveld berust.

 

1. Zie Richard Wilhelm, Het Boek der Veranderingen