<< Click to Display Table of Contents >>

2. K’OEN / HET ONTVANGENDE  (DE AARDE)

 

▬▬▬    ▬▬▬

▬▬▬    ▬▬▬

▬▬▬    ▬▬▬

▬▬▬    ▬▬▬

▬▬▬    ▬▬▬

▬▬▬    ▬▬▬

 

                HET TWEEDE OERTEKEN ALS EERSTE LEVENSVOORWAARDE

 

Het teken bestaat in al zijn domeinen, op ieder niveau uit louter gebroken lijnen. De weke lijn symboliseert van aanbegin de donkere, weke, receptieve oerkracht van het Yin. De eigenschap van het teken is de overgave, zijn beeld is de aarde incluis al haar have. Het is het tegenstuk van het Scheppende als geheel, het volmaakte tegenstuk, niet het tegendeel; een aanvulling, geen bestrijding; net zoals men het hier leest. Het is de natuur tegenover de geest, de aarde tegenover de hemel, de ruimte tegenover de tijd, het vrouwelijk-moederlijke tegenover mannelijkheid.

Op menselijke verhoudingen overdragen vindt men in alle bevolkingslagen het grondbeginsel van dit tegenstuk vlug in de betrekkingen tussen man en vrouw terug, maar ook tussen vorst en minister, heel gewoon, zowel als ook tussen vader en zoon, ja zelf in de enkele mens leeft deze tweeheid, in het samengaan van het geestelijke en zinnelijke als machtig feit.

Toch kan hier zelf niet onder cynisme gesproken worden van een werkelijk dualisme, want er bestaat een duidelijk onbestreden hiërarchische verhouding tussen de beide grootheden. Op zichzelf gezien is het Ontvangende natuurlijk even belangrijk als het Scheppende, zowel letterlijk als figuurlijk. Maar door de eigenschap van de overgave is de plaats van deze oerkracht (incluis al haar have) tegenover het Scheppende gesitueerd, duidelijk gekarakteriseerd.

Zij moet, wil ze heilzaam werken, steeds spontaan onder de leiding en de aansporing van het Scheppende staan. Alleen wanneer zij met deze positie niet tevreden is en, ongeacht haar conditie, zich als gelijke op haren en snaren aan de zijde van het Scheppende wil scharen, werkt ze verkeerd. Het gevolg ervan is dan oppositie en strijd tegen het Scheppende, hetgeen per definitie in een dergelijk verbintenis voor beide partijen nadelig is.

 

HET OORDEEL

 

Het Ontvangende bewerkt verheven welslagen, bevorderend door de standvastigheid van een merrie. Heeft de edele, van der tijden gunst gedragen, iets te ondernemen, maar wil hij vooruit onder geherrie, dan gaat hij verdwalen, ongeacht alle tijding, volgt hij echter, dan vindt hij leiding.

Bevorderlijk is het, onder gelijkgezinden, in het Westen en het Zuiden vrienden te vinden. In het Oosten en Noorden zal de tijd bij uitstek leren: het is bevorderlijk vrienden te ontberen. Heil is als een voldongen feit het gevolg van rustige standvastigheid.

De vier fundamentele aspecten die met het Scheppende verbonden worden ook bij het Ontvangende gevonden. ’Verheven welslagen, bevorderend door standvastigheid’ kenschetst het Ontvangende en diens voorbeeldige beleid. Alleen wordt de standvastigheid hier dus nog wat nader gedefineerd als de standvastigheid, waarmee een merrie opereert. Het Ontvangende kenschetst de ruimtelijke werkelijkheid tegenover het Scheppende en diens geestelijke mogelijkheid. Als het mogelijke in waardigheid voor oord reël of als het geestelijke ruimtelijk wordt, dan geschiedt dat altijd door een beperking, door een beperkende, individuele werking. Vandaar dat in de loop van de tijd aan de uitdrukking ‘standvastigheid’ de nadere bepaling ‘van een merrie’ is toegevoegd, die onwrikbaar in standvastigheid op topsnelheid het veld doorzwoegt.

 

Zoals het paard in een adem bij de aarde wordt genoemd, zo is het steeds de draak, die aan de hemel opdoemd. Doordat het onvermoeid over de vlakte galoppeert wordt door het paard de wijde ruimte van de aarde gesymboliseerd. Het symbolmerrie’ is gekozen, omdat de merrie kracht en snelheid dat in het paard vervat, vereinigd tot het einde toe, met de zachtheid en gedweeheid van de koe.

 

Alleen doordat de natuur gewis tegen het wezen van het Scheppende opgewassen is, kan ze, zonder zich te verstrikken, de ontvangende impulsen verwezenlijken. Haar rijkdom in voor- en tegenspoed bestaat daarin, dat ze alle wezens voedt; haar grootheid, dat ze erover waakt, dat ze alles mooier en heerlijk maakt. Zo schept zij voorspoed voor alles wat leeft, terwijl ze zich aan haar taken overgeeft. Terwijl het Scheppende dingen verwekt door zijn macht, worden ze door het Ontvangende ter wereld gebracht.1 Wat op menselijke verhoudingen overdragen bewijst dat men zich moet gedraagt zoals de situatie dit vereist.

 

Men is niet in een zelfstandige positie bezig, maar enkel en allen als hulpkracht aanwezig. Dan is het zaak, iets te presteren, door lange arbeid en levenslang leren. Men moet geen leiding willen geven en van alles bepalen, daardoor zou men alleen maar van de weg afdwalen. De opgave is hier zich aan zijn taak te wijden en te allen tijde in staat te zijn zich te laten leiden. Wie zich aan het lot weet over te geven vindt stellig de juiste leiding in het leven. De edele laat zich door de loop der tijden ook zonder leiding en begeleiding leiden.

 

Hij gaat niet blindelings voorwaarts als met één been reeds in het graf, maar leidt nauwkeurig uit de omstandigheden af wat er van hem verlangd wordt, en volgt dan vlot deze vingerwijzing van het lot. Als de denkbeelden die men om dient te zetten, eenmaal vastliggen in al hun facetten, zijn helpers en vrienden beslist niet overbodig, maar in het uur van arbeid en inspanning broodnodig. De tijd van arbeid en inspanning, die snel nader rukt, wordt door het Westen en het Zuiden uitgedrukt. Deze vormen het symbool voor de plaats, waar probaat het Ontvangende in dienst van het Scheppende staat, gelijk de natuur in voor- en tegenspoed dat in de zomer en in de herfst doet; als men dan allen maar prat gaat zijn pad en niet alle beschikbare krachten samenvat, komt men niet klaar met al zijn plichten oftewel het werk, dat men heeft te verrichten.

 

Daarom betekent ‘vrienden krijgen’ hier bepaaldelijk, dat men leiding vindt op het juiste ogenblik. Maar behalve de arbeid en het zich inspannen is er ook een tijd voor het maken en uitwerken van plannen; daarvoor zijn helpers en vrienden overbodig maar heeft men vooral de eenzaamheid nodig. Het Oosten symboliseert de plaats, waar men verlangt, dat men de opdrachten van zijn meester ontvangt, en het Noorden de plaats, waar men rapporteert over hetgeen men heeft gepresteerd en geleerd. Daar moet men zowel op zijn qui-vive alsook alleen zijn, en objectief. In dit heilige uur moet men zijn zegeningen tellen en het nu zonder kameraden stellen, opdat de reinheid niet vertroebeld wordt door partijhaat of door partijgunst wordt verstoord.

 

HET BEELD

 

De toestand van de aarde met al haar have is die van de ontvangende overgave. Zo draagt de edele zonder angst en vrezen de buitenwereld in de wijde ruimte van zijn wezen.

 

Evenals er slechts één hemel bestaat, zo heeft ook de aarde geen enkel duplicaat. Terwijl echter bij de hemel ― bij wiens gratie alles leeft ― de verdubbeling van het teken de duur in de tijd aangeeft, betekent deze bij de aarde als een machtig feit de uitbreiding in de ruimte en de vastheid, waarmee zij alles wat daar leeft en streeft draagt en in stand houdt, terwijl zij langs de hemel zweeft.

 

In haar overgave draagt de aarde probaat gelijkelijk zowel goed alsook kwaad. Zo maakt de edele zonder verzuim zijn karakter degelijk, draagkrachtig en ruim, zodat hij in alles wat hij doet zal slagen en mensen en dingen vermag te dragen en te verdragen.

1) Men vindt hier een soortgelijke opvatting als Goethe tot uitdrukking brengt in de volgende verzen:

 

So schauet mit bescheidenem Blick

Der ewigen Weberin Meisterstück,

Wie ein Tritt tausend Fäden regt,

Ein Schlag tausend Verbindungen schlägt,  

Die Schifflein hinüber herüber schießen

Die Fäden sich begegnend fließen;

Das hat sie nicht zusammengebettelt,

Sie hat's von Ewigkeit angezettelt,

Damit der ewige Meistermann

Getrost den Einschlag werfen kann.