<< Click to Display Table of Contents >>

4. MENG / DE JEUGDDWAASHEID

 

▬▬▬▬▬▬▬   boven Ken, het Stilhouden,

▬▬▬    ▬▬▬   de berg in zijn vijandigheid

▬▬▬    ▬▬▬   beneden K’an, het Onpeilbare

▬▬▬    ▬▬▬   komt voor de dag

▬▬▬▬▬▬▬   de grote man voedt zijn deugdzaamheid

▬▬▬    ▬▬▬   met vastbesloten, goed gedrag

 

Op tweeërlei wijze wordt in dit teken de jeugd en de dwaasheid aangeduid. Het bovenste teken, Ken, zoals gebleken, heeft als beeld een hoge berg en beneden komt er water uit, want het onderste trigram (K'an), heeft als beeld het water, en zo ontstaat de gedachte aan de grootste dwaas: Guus Flater.

 

De bron die aan de voet van de berg ontspringt, is het beeld van de onervaren jeugd. De eigenschap die het bovenste teken doordringt is het Stilhouden (verbergen, zwijgzaamheid als deugd), die van het benedenste de afgrond, het gevaar. De dwaasheid van de jeugd neemt dit echter amper waar. Het is een dwaas, die met twee maten meent te kunnen meten, de jeugd die niet deugd, die van geen raad wil weten. De beide tekens geven echter ook aan, hoe men dus met dit verschijnsel om dient te gaan, hoe de ogenschijnlijk onverwijderbare wanakkoorden van de jeugdige dwaasheden overwonnen kunnen worden: het water is iets, dat (eerst eens door randen omzoomt) noodzakelijkerwijze almaar verder stroomt. Al weet het water bij zijn eerste opwellen nog niet waarheen het zal gaan snellen, door aanhoudend voort te stromen, in plaats dat het emmert, vult het de diepte, die zijn loop belemmert.

 

En door dat te doen wat steeds het beste zou blijken, kan het aldus zijn doel bereiken. Door alleen te doen wat het beste zou blijken, zal men uiteindelijk zijn doel(en) bereiken.

 

HET OORDEEL

 

De dwaasheid van de jeugd hoeft men nimmer te beklagen. Jeugddwaasheid heeft welslagen. Niet ik zoek de jonge dwaas, maar hij; hij, de jonge dwaas, hij zoekt mij. Bij het eerste orakel geef ik hem antwoord. Dat is dan precies zoals het ook hoort. Twee-, driemaal vragen is lastig vallen. Wie mij lastig valt, die laat ik maar raaskallen en geef ik geen antwoord, al het oude zeer ten spijt. Bevorderlijk is standvastigheid.

 

In de jeugd valt dwaasheid niet bijzonder te beklagen: men kan desondanks toch wel slagen. Men moet in weerwil tot al zijn dwaze vrinden alleen een ervaren leraar weten te vinden en hem met het zicht op een dwaas onaf verleden op de juiste wijze tegemoet gaan treden. Dit betekent in de eerste plaats dat op termijn de jeugdige dwaas zichzelf bewust moet zijn van zijn gebrek aan ervaring op de meeste levenswegen en om deze reden een leraar moet raadplegen. Indien hij zich daarbij echter vergist en deze bescheidenheid en belangstelling mist, dan doet een gebrek aan waarborg teniet dat hij de leraar met de nodige eerbied en bescheidenheid tegemoet treedt, maar de boel zal flessen: oftewel niet ontvankelijk zal zijn voor diens lessen. Daarom moet de leraar, in plaats dat hij zichzelf opdoekt, altijd wachten tot men hèm opzoekt, zonder dat deze aan allerlei lieden zich uit eigen beweging aan gaat bieden:

 

Alleen zo zal hij zijn lessen in de school van het leven op de juiste tijd en wijze kunnen geven. Het antwoord dat de leraar, die de levensregels leeft, op de vragen van de leerling geeft moet te allen tijde op dit weerbarstig terrein absolut duidelijk en beslist zijn evenals het antwoord en de gedachtegangen die men van een orakel wenst te ontvangen. Dit antwoordt moet dan uiteraard als een positieve beslissing worden aanvaard, die een eind maakt aan al het geweifel en de onvoltooide teleurstelling, met andere woorden 'twijfel'. *

 

Wantrouwend of gedachteloos almaar verder vragen is niets anders dan de leraar lastig vallen (plagen) en deze doet bij een dergelijk gedoe er dan maar beter het zwijgen toe. Gelijk het orakel ook gelimiteerd slechts één antwoord geeft en nimmer reageert op het zich stééds weer herhalende bla bla bla: op experimentele vragen van een twijfelaar. Als hierbij dan ook nog prompt het  sortiment van volharding komt, die nooit en te nimmer rust en-of opgeeft voor men punt voor punt de lering in zich opgenomen heeft, dan kan men uiteraad inderdaad zeker zijn van een goed resultaat. Het teken bevat dus raadgevingen zowel voor leraren als voor leerlingen.

 

HET BEELD

 

Aan de voet van de berg ontspringt een bron: Het beeld van de jeugd met haar beperkte horizon. Zo ontwikkelt de edele zijn karakter compacter door grondig te handelen net iets exacter.

 

Het water uit de bron begint te vloeien en kan de stilstand overwinnen, in plaats van verknoeien, door alle diepe plaatsen, die het op zijn weg ontmoet, van de grond af op te vullen, voornamelijk met zijn eigen goed. Evenzo is grondigheid zowel in kleine als in grote kring de enig aangewezen weg tot de karaktervorming: een grondigheid, die nooit iets overslaat, maar gaandeweg en gestadig, gelijk het water, vooruit gaat, alle leemten aanvult en zo ten slotte promt ook vanuit refractaire omstandigheden vooruit komt.