<< Click to Display Table of Contents >>

5. SIU / HET WACHTEN

 

▬▬▬   ▬▬▬

▬▬▬▬▬▬▬

▬▬▬   ▬▬▬

▬▬▬▬▬▬▬

▬▬▬▬▬▬▬

▬▬▬▬▬▬▬

 

               beneden Tjʼièn, de hemel, de kosmische krachten,

               boven K’an, het Onpeilbare, het water dat zich samenbalt

               en als wolken almaar hoger stijgt, tot er regen valt.

 

Alle wezens in voor- of tegenspoed moeten door de hemel worden gevoed. Maar het voedsel waar de wezens naar smachten daalt neer op een tijd, die men dient af te wachten. Het teken vertoont deze zich naderende zegen, de wolken aan de hemel, beladen met de regen, die al wat groeit verheugt en subiet de mens van voedsel en drank voorziet. Die regen zal komen en men kan koken zodra de tijd ervoor is aangebroken. Men kan hem niet dwingen, men moet erop wachten. De gedachte aan het wachten op deze zegensrijke krachten wordt bovendien gefundeerd gedefinieerd door de eigenschappen van de beide oertekens gesuggereerd: van binnen kracht, daarbuiten gevaar. Kracht laat zich echter onloochenbaar niet overhaasten, maar neemt de tijd, terwijl zwakte briest, erdoor in opwinding geraakt en het geduld verliest.

 

HET OORDEEL

 

     Het Wachten en wachten, zonder te versagen.

     Als je waarachtig bent, heb je licht en welslagen.

     Standvastigheid brengt heil. En zo bekeken,

     Is het bevorderlijk, het grote water over te steken.

 

Het wachten is geen ijdel hopen, maar bevat geijkt de innerlijke zekerheid, dat het doel zal worden bereikt. Slechts deze innerlijke zekerheid geeft het licht, dat als voorwaarde voor het welslagen als het ware is verplicht. Dat leidt tot de standvastigheid, die heil brengt in dit teken en de kracht verleent om het grote water over te steken.

Men heeft een gevaar voor zich, dat men dient te overwinnen. Met zwakheid en ongeduld laat zich dan amper wat beginnen. Alleen wie sterk is, kan zijn moeilijkheden aan en zal zich niet uit het veld laten slaan; want zijn innerlijke zekerheid tijdens al het smachten geeft hem de kracht tot geduldig wachten. Deze kracht uit zich als een machtig feit in onwankelbare waarachtigheid. Slechts wanneer men de dingen haarfijn onder de ogen durft te zien zoals ze nu eenmaal zijn, zonder enig zelfbedrog en zonder enige illusie, is men in staat tot het trekken van de juiste conclusie en ontwikkelt zich uit de gebeurtenissen een licht dat rijst, dat de weg zoals vereist naar het welslagen wijst. Is men eenmaal zover, dan moet men ook meteen consequent volhouden, immers alleen, wie zijn noodlot up to date en vastberaden tegemoet treedt, zal in zulke zware tijden zijn leven in goede banen kunnen leiden.

 

Dan kan men doen wat het beste zou blijken: het grote water oversteken, om zijn doel te bereiken, dat wil zeggen zonder nu nog langer te schromen de beslissende stap doen en het gevaar te boven komen.

 

HET BEELD

 

Wolken stijgen aan de hemel op: het beeld van het wachten zonder getob. Zo voedt en laaft zich de edele steeds goedig, altijd opgeruimd en altijd blijmoedig.

 

Zodra de wind de wolken aan de hemel samendromt, is dat een teken dat er regen komt. Dan kan men zolang zich het hemelwater samenbalt, niet anders doen dan wachten tot de regen valt. Zo is het ook in het leven, wanneer er op termijn de door het lot beschikte gebeurtenissen in voorbereiding zijn. Zolang de tijd nog niet is vervuld, moet men zich oefenen in geduld en niet trachten door bijvoorbeeld met korte metten en eigenmachtig ingrijpen de toekomst naar zijn hand te zetten. Men moet het lichaam versterken door spijs en goede wijn, en de geest door blijmoedig en opgeruimd te zijn. Op deze wijze raakt men nimmer afgestompt en dan is men bereid wanneer de ure komt.