<< Click to Display Table of Contents >>
HOOFDSTUK 6. SOENG / DE STRIJD
▬▬▬▬▬▬▬ boven Tj‘ièn, het Scheppende, ▬▬▬▬▬▬▬ de hemel, tot geweld bereid ▬▬▬▬▬▬▬ beneden K‘an, het water, ▬▬▬ ▬▬▬ het Onpeilbare, het gevaar ▬▬▬▬▬▬▬ waar gevaar geweld ontmoet, ▬▬▬ ▬▬▬ daar wordt men strijd gewaar
Het bovenste oerteken, welks beeld de hemel is, beweegt zich richting bovenwaarts en daarmee is op zich niets mis; het onderste oerteken ‘water’, is verplicht aan zijn natuur primair naar beneden gericht.
De bewegingsrichtingen ― zo wordt men dus gewaar ― van de beide helften gaan uit elkaar, dat wekt natuurlijk uiteindelijk non-stop de gedachte aan verwijdering, oftewel aan strijd op. De eigenschap die aan het Scheppende wordt toebedacht is uit de aard van de zaak oppermachtige kracht, terwijl het Onpeilbare zich beperkt tot een gevaar, die ook als arglist wordt aangemerkt. Waar list geweld tegenover zich heeft, daar ontstaat een situatie die tot strijd aanleiding geeft. Zelfs binnen de grenzen van de menselijke persoonlijkheid kan als een individuele curiositeit, vergezeld van een schrijnend gebrek aan fatsoen, deze combinatie zich wel degelijk voordoen: gevaarlijke arglist die zich naar binnen zal uiten, en een onwrikbare vastberadenheid naar buiten. Een dergelijk karakter zal op ieder terrein zeer zeker opvallend strijdlustig zijn.
HET OORDEEL
De Strijd: Je voelt je ontstemd, want je bent waarachtig en wordt geremd. Voorzichtig stilhouden in een stijl zonder stijl halverwege brengt tenslotte heil. Tot het einde gaan is dweilen met een open kraan, want zo baant zich uitsluitend onheil aan. Bevorderlijk is het, de grote man te zien. Het grote water over te steken is alles andere als kien.
Strijd ontstaat, wanneer men zich frank en vrij uit, het gevoel heeft in zijn recht te zijn en op tegenstand stuit. Zodra men dus niet, weinig of slecht overtuigd is van zijn eigen goed recht, leidt tegenstand tot arglist of in de loop van de tijd tot onrechtmatig ingrijpen, maar niet tot openlijke strijd. Eenmaal in een strijd gewikkeld, is het enige feit wat uitkomst kan brengen: krachtige bezonnenheid, die te allen tijde bereid is de onenigheid bij te leggen en zonder dat men gezichtsverlies lijdt de ander, die ook denkt: hij is in het gelijk, halverwege tegemoet te komen tot een vergelijk. Het is verkeerd om er waarde aan te hechten de strijd tot het bittere einde uit te vechten, zelfs wanneer men gelijk zou krijgen en de ander als het ware aan de degen kan rijgen, daar op deze wijze, zoals het dus niet hoort, de vijandschap voor altijd bestendigd wordt.
Het is van belang en uitermate kien om in de loop van het conflict de grote man te zien, dat wil zeggen een onpartijdig man, wiens autoriteit als groot genoeg gelden kan om de strijd in enkele ogenblikken of rechtvaardig te slechten of in der minne te schikken. Anderzijds moet men het in tijden van onenigheid beslist vermijden ‘het grote water over te steken’ om een conflict te willen winnen, dat wil zeggen gevaarlijke ondernemingen te beginnen, want daarvoor heeft men in dergelijke dagen de samenwerking van alle krachten nodig, willen ze slagen. Inwendige strijd verlamt onloochenbaar precies die kracht om het gevaar, dat van buitenaf dreigt met de geijkte wanakkoorden, überhaupt de baas te worden.
HET BEELD
Hemel en water verwijderen zich van elkaar. Het beeld van de strijd met zijn getier en gevaar. Zo overweegt de edele >> met frisse tegenzin << Bij alles wat hij onderneemt zorgvuldig het begin.
Het beeld wijst erop, dat als een machtig feit de eigenlijke oorzaak van de strijd ligt in de bij voorbaat reeds bestaande taferelen van de tegengestelde tendensen van de beide delen. Zijn zulke tegenstellingen eenmaal aanwezig, en raakt men er eerst eens bewust mee bezig dan blijkt het een voldongen feit: het noodzakelijk gevolg is natuurlijk strijd. Dit impliceert, dat men om strijd te voorkomen in het allereerste begin eerst dient te schromen, en tevens zorgvuldig en zeer gedegen elke stap goed moet overwegen. Als rechten en plichten in het dagelijkse leven daadwerkelijk nauwkeurig zijn omschreven ― als in een mensengroep in de loop van hun geschiedenis de geestelijke richting der individuele leden dezelfde is ― dan, zo wordt hier door het I Ching beweerd, is de oorzaak van de strijd bij voorbaat geëlimineerd. |