<< Click to Display Table of Contents >>

8. PI / DE AANEENGESLOTENHEID

 

  ▬▬▬   ▬▬▬   boven K’an, het Onpeilbare,

  ▬▬▬▬▬▬▬   het water...nattigheid

  ▬▬▬   ▬▬▬   beneden K’oen,

  ▬▬▬   ▬▬▬   het Ontvangende, apropos:

  ▬▬▬   ▬▬▬   het is de aarde en aan haar

  ▬▬▬   ▬▬▬   gehecht: het water, H2O

 

 

Het water boven de aarde vloeit niet alleen zo nu en dan, maar voor altijd en eeuwig samen waar het maar kan, bij voorbeeld in de zee, waarin alle rivieren zich verzamelen, een beeld zo overweldigend dat men haast gaat stamelen. Dit is een symbol dat in het I-Ching en het grote plan betrekking heeft op de aaneengeslotenheid en de wetten ervan. Dezelfde gedachte, ook dit is een feit, wordt aan de hand gedaan door de omstandigheid, dat alle lijnen, uitgezonderd de vaste (vijfde) lijn (op de plaats van de heerser), weke lijnen zijn. De weke lijnen blijven elkander trouw, doordat ze tot in hun culturele bovenbouw beïnvloed worden als door een man des daads, door de vaste wil op de heersersplaats, die, terwijl hij dusdanig aanspoort, het middelpunt van hun vereniging vormt. Maar ook deze sterke, leidende persoonlijkheid is solidair met de anderen, in wie hij mettertijd een aanvulling van zijn eigen wezen vindt, op de bodem van de ziel aan helderheid wint.

 

HET OORDEEL

 

    Aaneengeslotenheid brengt zeker heil.        

    Het orakel nu een tweede maal peil,

    Of je verhevenheid en standvastigheid bezit.  

    Dan is er geen blaam. En in deze spirit

    Komen de onzekeren gaandeweg naderbij.

    Wie te laat komt heeft ongeluk;  

    Blijft een roepende in een woestenij.

 

Het gaat erom zich met een rein geweten in anderen één te kunnen heten. Op deze wijze vult in contradictie tot de loze guit men elkander wederkerig aan en helpt elkaar vooruit. Voor zulk een onderlinge verbondenheid moet er een middelpunt zijn, waar de anderen zich omheen scharen, natuurlijk zonder rookgordijn. Middelpunt te worden, gelet op alle de wensen, van zulk een aaneengesloten groep van mensen, is niet gemakkelijk en brengt per se grote verantwoordelijkheid met zich mee. Innerlijke grootheid, consequentie en kracht en een gevoel voor verhouding lijkt daarbij niet teveel verwacht. Daarom moet dus degene, als toekomstige spil, die anderen om zich heen verzamelen wil, in dergelijke tijden, op zulke zware dagen, zich eerst terdege eens zelf afvragen, of hij wel tegen de taak is opgewassen, met méér bezig te zijn dan met massa's piassen.

 

Want wie zonder het zegel van de bevoegdheid ertoe te bezitten, anderen om zich heen verzamelen en aaneen wil klitten, die sticht meer verwarring dan wanneer op losse gronden in het geheel geen aaneensluiting had plaats gevonden. Waar echter een werkelijk middelpunt aanwezig is, daar komen de anderen in de loop van de geschiedenis, die aanvankelijk nog aarzelden, frank en vrij gaandeweg vanzelf naderbij. Degenen die te laat komen zijn te beklagen en hebben zelf de nadelige gevolgen te dragen, want ook bij het zich aaneensluiten kan men verliezen, als men niet het juiste tijdstip weet te kiezen. Relaties, die men niet op een knipperlicht wil zetten, worden aangeknoopt en bevestigd volgens vaste innerlijke wetten. Gemeenschappelijke belevenissen bestendigen ze; wie te laat is voor deze fundamentele, gemeenschappelijke ervaringen met zijn tijdgenoten, die vindt tot zijn schande de deur gesloten.

 

Wie echter de noodzaak ― mettertijd misschien ― van aaneengeslotenheid heeft ingezien en niet de kracht in zich voelt de dingen zo te kneden, om zelf als middelpunt op te kunnen treden, die heeft dus de plicht naar binnen en buiten zich bij een andere organische geemeenschap aan te sluiten.

 

HET BEELD

 

Op de aarde is water in een enormiteit: het beeld van de Aaneengeslotenheid. Zo hebben de koningen van de voortijd verheven de afzonderlijke staaten steeds als leengoederen vergeven, en onder de invloed van de Wijze Raad der Ouden met de leenvorsten ook vriendschappelijke betrekkingen onderhouden.

 

Het water op aarde vult alle leemten op, en blijft er hecht mee verbonden tot boven op de top. De sociale organisatie van de oudheid was gebaseerd op dit principe van nauwe verbondenheid tussen de ondergeschikte en de heerser, en dus niet zozeer om de minne van het smeer. Het water vloeit samen in schitterende silhouetten, het doet dit vanzelf, maakt als het ware korte metten, omdat het in al zijn delen en facetten steeds onderhevig is aan dezelfde wetten. Zo moet ook de menselijke maatschappij op de basis van gemeenschappelijke belangen één gesloten geheel vormen en geen reaktieve brei, waarvoor men moet bangen op zijn wandelgangen, maar waarin elk lid gewoon goedbedoeld zich een deel van het geheel, kortom geborgen, voelt. De centrale macht van een sociaal organisme moet zorgen voor het nodige idealisme, dat elk lid heel normaal zonder innerlijke tweestrijd zijn werkelijke belang ziet in solidariteit.