<< Click to Display Table of Contents >>

9. DE TEMMENDE KRACHT VAN HET KLEINE / SIAU TSJ'OE

 

            ▬▬▬▬▬▬▬   boven Soen, het Zachtmoedige,

            ▬▬▬▬▬▬▬   de wind waait nimmermoe

            ▬▬▬    ▬▬▬   beneden Tj’ièn, de hemel,

            ▬▬▬▬▬▬▬   het Scheppende uitgestald,

            ▬▬▬▬▬▬▬   waar de wolken zich verdichten,

            ▬▬▬▬▬▬▬   maar voorlopig nog geen regen valt

 

Het hexagram tekent de kracht van het kleine, latent in de schaduw levende, die tegenhoudt, temt, remt. Op de vierde plaats, die, correct geïnterpreteerd, steeds met de plaats van de minister correspondeerd, staat één zwakke lijn, die op de keper beschouwd alle overige sterke lijnen in toom houdt. Vanuit het beeld beschouwd, hoe men het ook houdt of draait, is het de wind, die hoog aan de hemel waait. Hij houdt de opstijgende adem, de grote zegen van het Scheppende, de wolken, tegen, zodat ze zich weliswaar verdichten maar qua neerslag kan hij voorlopig niets verrichten. Hij is niet dadelijk sterk genoeg om ze tot neerslag te brengen, en kan voorlopig niet meer dan een paar druppeltjes plengen.

 

Het teken toont als een niet gering feit een constellatie aan, waar voor korte tijd iets sterks, iets compacts, een soort climaxs, in toom wordt gehouden door iets zwaks. Dit kan echter, zo eist het de tijd, slechts geschieden door zachtmoedigheid, zachtmoedig als de wind, als de geest uit de fles, wil het bekroond worden met succes.

 

HET OORDEEL

 

De Temmende Kracht van het Kleine brengt welslagen, maar men ziet: Dichte wolken, echter geen regen van ons westelijk gebied.

 

De gelijkenis komt met de situatie overeen, zoals die in China was ten tijde van koning Wen. Hij stamde uit het Westen, was echter toendertijd in onmin in het Oosten aan het hof van de grootvorst Tsjow-sin! De macht van deze duistere tiran hield heel China lange tijd in de ban. In deze dagen was er de tijd voor strikt genomen handelend optreden in het groot nog niet gekomen. Hij kon de tiran slechts enigermate in toom houden door vriendelijk met hem te praten. Vandaar dat we het beeld te zien krijgen, dat er wolken in overvloed opstijgen, die heel het land van daarboven vochtigheid en zegen beloven, hoewel er voorlopig nog geen regen zal opdoemen. De situatie is niet ongunstig te noemen. Er is kans op een uiteindelijk gunstig resultaat. Maar er staan nog hindernissen in de weg paraat. Men kan in het licht van zijn heilige plichten nu nog slechts voorbereidend werk verrichten, invloed uitoefenen in engere kring, in het kleine, door vriendelijke overreding.

 

Vandaar luidt nu het enig goed nomen: de tijd van doortasten in het grote is nog niet gekomen. Maar het gelukt tenminste om binnen de perken, in beperkte mate remmend en temmend te werken. Daarbij is vanzelfsprekend vastberadenheid vanbinnen, wil men beginnen deze tijd te overwinnen, en zachtmoedige aanpassing aan alle ongeschreven wetten en ook naar buiten noodzakelijk, om zijn wil te kunnen doorzetten.

 

HET BEELD

 

De wind jaagt langs de hemel, met zichzelf in het reine.

Het beeld van de Temmende Kracht van het Kleine.

Zo verfijnd de edele in dezen de uiterlijke vorm van zijn wezen.

 

De wind drijft langs de hemelpoort de wolken aan de hemel weliswaar voort, maar daar hij slechts lucht is en bovendien zonder vast lichaam, heeft hij zo gezien door deze fijnstoffelijke beperking geen grote, duurzame uitwerking. Ook de mens kan in tijden van een dergelijk gemis, dat een grote activiteit naar buiten niet mogelijk is, niets anders doen dan zich te bedwingen en in het klein zijn wezen verfijnen in zijn uitingen.