<< Click to Display Table of Contents >>

15. TJ'IÈN / DE BESCHEIDENHEID

 

▬▬▬    ▬▬▬

▬▬▬    ▬▬▬

▬▬▬    ▬▬▬

▬▬▬▬▬▬▬

▬▬▬    ▬▬▬

▬▬▬    ▬▬▬

 

HOOFDSTUK 15. TJ'IÈN / DE BESCHEIDENHEID

boven K'oen, het Ontvangende, de aarde en haar beleid, beneden Ken, het Stilhouden, de berg, microcosmisch is het de wisselwerking tussen been en merg

 

Dit teken is samengesteld uit Ken – het Stilhouden, de berg – en K'oen, de aarde. De berg is als de jongste zoon van het Scheppende vanzelfsprekend van een reusachtige waarde. Hij is de hemelse vertegenwoordiger op aarde. Hij laat al de zegeningen van waarde – van de hemel, de wolken en de regen met name die zich om zijn top verzamelen – rijkelijk neerdalen om volmaakt in evenwicht dan te schitteren in een aureool van hemels licht. Dat toont de bescheidenheid in haar vele tendensen en hoe ze werkt in hoogstaande en sterke mensen.

Bovenaan staat K'oen, de aarde, bereid. De eigenschap van de aarde is de nederigheid, maar juist daarom, zo wordt hier betoogd, wordt ze in dit teken voorgesteld als verhoogd, namelijk hoog boven de berg. En dat toont dus tegelijkertijd de werking van de bescheidenheid bij nederige en eenvoudige mensen: ze worden erdoor verhoogd en bescheiden in hun wensen.

 

HET OORDEEL

 

      Bescheidenheid bewerkt welslagen.

      De edele brengt ten einde, ondanks alle hinderlagen.

 

De wet van de hemel vereist een aardse tol, ze maakt het volle leeg en het bescheidene vol. Zodra de zon in haar astronomische baan op het hoogste punt komt te staan neigt ze in haar volle omvang volgens de hemelse wet weer ten ondergang, en zodra ze het diepste punt onder de aarde aandoet, gaat ze een nieuwe opkomst tegemoet. Als de maan vol is als een gouden karaf neemt ze volgens dezelfde wetten af, en als ze donker is neemt ze weer toe en wordt het eeuwige vol- en leegworden nooit en te nimmer moe. Deze hemelse wet komt tot over alle grenzen ook tot uitdrukking in het lot van de mensen.

 

De wet van de aarde is: in alle systemen van het volle het teveel af te nemen om vervolgens met het grootste genoegen aan het bescheidene toe te voegen: de hoge bergen worden door de wateren afgesleten, de dalen worden opgevuld of met kometen volgesmeten.

 

De wet van de noodlotsmachten, dat dient men te bedenken, is aan het volle afbreuk te doen en aan het bescheidene geluk te schenken. Ook de mensen blijven het volle haten, maar van het bescheidene steeds gunstig praten. De lotsbestemmingen volgen altijd vaste wetten, die zich noodzakelijk moeten uitwerken, soms met hele korte metten. Maar de mens heeft in dit aardse leven het in eigen hand, zijn lot gestalte te geven, al naar dat hij constructief of met geweld, zich door zijn gedragingen als het ware openstelt voor de zegenrijke machten en gedachten of voor de destructieve krachten.

 

Als de mens hoog staat en zich bescheiden betoont, straalt hij in (en met) het licht der wijsheid (bekroond). Als hij ongeacht de vreugde en-of het leed een weinig aanzienlijke positie bekleedt en zich bescheiden betoont en met de stroom mee weet te drijven, kan hij ten slotte niet onopgemerkt blijven. Zo gelukt het de edele zijn werk in voor- en tegenspoed tot een einde te brengen dat aan alle eisen voldoet, en hij beroemt er zich niet op of gaat op zoek naar praal en pracht wanneer het ten slotte globaal is volbracht.

 

HET BEELD

 

Een berg, die zich binnen in de aarde bevindt: Het beeld van de bescheidenheid die de verkwisting overwint. Zo vermindert de edele wat een te veel vertoont en wat te weinig is wordt door hem met vermeerdering beloond. Hij weegt de dingen met het zicht in dit licht tegen elkaar af en brengt ze in evenwicht.

 

De aarde, waarin een berg ten onder is gegaan, ziet men haar rijkdom nooit en te nimmer aan. Het hoge van de berg – met zijn hogere sferen – dient er toe de diepten volmaakt te nivelleren. Zo vult hoog en laag elkaar uitmuntend aan, en openbaart als resultaat de vlakte haar bestaan. Als beeld van deze bescheidenheid geldt hier de opmerkelijke omstandigheid, dat iets wat door de bank genomen een lange tijd nodig had om tot stand te komen, dàn heel gemakkelijk en natuurlijk lijkt als het ware precies zó dat het het beste blijkt. Zo doet de edele, zodra hij orde schept op aarde, en toch belaat hij alles en eenieder in zijn eigen waarde. Hij nivelleert de sociale contrasten, die een constante bron van onenigheid blijken, en schept daardoor zonder over te belasten rechtvaardige verhoudingen die op elkander lijken.