<< Click to Display Table of Contents >>
18. HET WERK AAN HET BEDORVENE / KOE
▬▬▬▬▬▬▬ boven Ken, der berg, ▬▬▬ ▬▬▬ het Stilhouden treedt toe ▬▬▬ ▬▬▬ beneden Soen, ▬▬▬▬▬▬▬ het Zachtmoedige, de wind; ▬▬▬▬▬▬▬ dit zijn de voorwaarden waarmee ▬▬▬ ▬▬▬ het Werk aan het Bedorvene begint
Het Chinese teken Koe duidt een schotel aan, in welks inhoud er wormen ontstaan. Dat betekent het bedorvene als voldongen feit. Het bederf is ontstaan doordat de weke onverschilligheid van het onderste trigram is samengekomen met het bovenste en diens slechte nomen, namelijk starre traagheid in elk geding; het resultaat is lauwheid en dus verwaarlozing. Hier is dus sprake van schuld en tegenzin, en deze toestanden houden de aansporing in, door een betere gang van zaken dat uiteindelijk weer goed te maken. Daarom is ook de betekenis van het teken niet eenvoudigweg ‘het bedorvene’ gebleken, maar ‘het bedorvene als taak’ en wordt sindsdien als het ‘Werk aan het Bedorvene’ gezien.
HET OORDEEL
Het Werk aan het Bedorvene heeft verheven welslagen. Vóór en na het beginpunt drie dagen. Het is bevorderlijk gebleken, het grote water over te steken.
Wat door schuld van mensen is bedorven, ook al zijn deze inmiddels lang en breed verstorven, kan door werk van mensen weer goed worden gemaakt. En al moeten er soms harde noten gekraakt, het is geen onverbiddelijk noodlot van hogerhand, zoals gedurende (teken 12: P’i) de tijd van de Stilstand, maar dat er misbruik van de menselijke vrijheid werd gemaakt, wat de toestand van het bederf heeft veroorzaakt.
Bij het werk van de verbetering zal blijken dat de vooruitzichten dan ook gunstig lijken, daar ze in overeenstemming zijn getreden met de door de tijd geboden mogelijkheden. Men mag alleen alles bij elkaar niet terugschrikken voor werk en gevaar ― gesymboliseerd door het vroeger of later oversteken van het grote water ― men dient te weten met welk blijltje men moet hakken om dan de zaken energiek aan te pakken. Een eerste vereiste voor het welslagen is dus, dat men zo goed overlegt dat alles klopt als een bus. Dat is uitgedrukt in de toevoeging die we zagen: ‘Vóór en na het beginpunt drie dagen.’ Eerst moet men nog voordat men zich roert de oorzaken kennen die tot het bederf hebben gevoerd, anders (en dat dient men goed te beseffen) is men niet in staat ze op te heffen: daarom moet men het erop hebben gemunt waakzaam te zijn vóór het beginpunt.
Vervolgens moet men zorgen, dat men prompt goed het nieuwe gareel inkomt, zodat in contradictie met het verknoeide verleden uit de aard van de zaak een terugval wordt vermeden: daarom dient men niet langer te stunten als een rund, maar moet waakzaam zijn gedurende de tijd ná het beginpunt. In plaats van de traagheid en de onverschilligheid, die tot het bederf hebben geleid, moet er nu met rasse schreden energie en vastberadenheid aan den dag treden, opdat vervolgens met een ‘frisse tegenzin’ het einde gevolgd wordt door een nieuw begin.
HET BEELD
Aan de voet van de berg waait de wind. Het beeld van het bederf dat begint. Zo wekt de edele, terug van weggeweest, De mensen op en sterkt hij hun geest.
Als de wind aan de voet van de berg gaat waaien, zal hij onder de planten aldaar onheil zaaien, omdat hij door de berg hard teruggeworpen wordt beschadigd hij de planten voor oord. Volgens het I Ching houdt dat een diepere zin, namelijk een aansporing tot verbetering in. Zo is het ook in elke episode met de wisselvalligheden van het gemoed en van de mode: ze brengen in kleine en in grote kring het bederf in de menselijke samenleving.
Om daar een einde aan te maken moet – zonder te knoeien – de edele de maatschappij vernieuwen. De manieren om dat te bereiken mettertijd worden eveneens uit de beide oertekens afgeleid, maar hun werkingen moeten zich om de taak te voltooien in goede orde ná elkaar ontplooien. Hij mag in eerste instantie niet verzuimen eerst de lethargie en luiheid uit de weg ruimen door doeltreffend onder de kudden de openbare mening wakker te schudden (zoals al hetgeen dat niet goed is gestut door de wind door elkaar wordt geschud); daarna zal hij zijn tijd eraan spenderen om het karakter der mensen te versterken en hen kalmeren (zoals de berg rust en voedsel geeft aan alles wat in zijn omgeving groeit en leeft). |