<< Click to Display Table of Contents >>

26. TA TSJ´OE / DE TEMMENDE KRACHT VAN HET GROTE

 

▬▬▬▬▬▬▬

▬▬▬   ▬▬▬

▬▬▬   ▬▬▬

▬▬▬▬▬▬▬

▬▬▬▬▬▬▬

▬▬▬▬▬▬▬

 

Het ‘Scheppende‘ wordt hier omnipotent door de kracht en de macht van het ‘Stilhouden’ getemd. Daaruit resulteert een grote kracht, heel anders dan er bij nummer 9 tot stand werd gebracht, waar feitelijk op de keper beschouwd slechts het ’Zachtmoedige’ het ‘Scheppende’ in toom houdt. Terwijl daar één zwakke lijn de vijf sterke moet temmen, zijn het er hier de minister én de vorst die stremmen. Daarom wordt hun temmende kracht ook vele malen groter geacht.

 

Er ligt nu in deze orde van grootte een drievoudige betekenis in het teken opgesloten. De hemel onder de berg is als verwekker te beschouwen van de gedachte aan het vasthouden = bijeenhouden; het teken Ken, dat het teken Tj’ièn stilhoudt, wordt als vasthouden = tegenhouden beschouwd. Het feit ten slotte, dat tot algemeen verheugenis een sterke lijn bovenaan de heer van het teken is, die precies zo als het in feite ook hoort als wijze geëerd en goed verzorgd wordt, suggereert de gedachte met de bijbedoeling aan het vasthouden = verzorging, voeding. Deze laatste gedachte komt zo bekeken telkenmaal speciaal bij de heer van het teken – de sterke bovenste lijn, die de wijze representeert – in een mate tot uiting die heil insinueert.

 

HET OORDEEL

 

      De Temmende Kracht van het Grote bepleit:

      Bevorderlijk is standvastigheid.

      Niet thuis eten brengt heil. In de geest van het teken

      Is het bevorderlijk, het grote water over te steken.

 

Het vasthouden en samentrekken van grote, scheppende krachten, gelijk in dit teken wordt gerepresenteerd, vereist een sterke man met bezielende gedachten en een helder verstand, die door de heerser wordt geëerd. Het teken Tjièn met zijn oppermacht wijst op een grote scheppingskracht, het teken Ken, rotsachtig en aarden, duidt met zijn vorm op degelijke waarden; beide duiden op licht en klaarheid, wat een dagelijkse vernieuwing van het karakter bepleit. Allen door zulk een zelfvernieuwing, dag na dag, bestendigt men het hoge peil van zijn kracht. Terwijl in rustige perioden de macht der gewoonte tot het handhaven van de orde bijdraagt, wordt in grote tijden van krachtconcentratie de macht van de persoonlijkheid uitgedaagd.

 

Maar daar, zoals de tijd heeft geleerd, degenen die het waard zijn, worden geëerd – zoals de sterke persoonlijkheid dat eist, door de heerser met de leiding belast, en bewijst – is het gunstig om niet thuis te eten, maar in het openbare leven te weten zijn brood te verdienen door in het heden aldus een betrekking te bekleden. Men is in harmonie met de hemel, toont dit teken; vandaar dat vanuit die invalshoek bekeken dan gedurende dergelijke gunstige dagen ook de moeilijke, gevaarlijke ondernemingen zullen slagen, zonder het slaan van een funeste flater tijdens bijvoorbeeld het oversteken van het grote water.

 

HET BEELD

 

De hemel te midden van de berg opgesloten. Het beeld van de Temmende Kracht van het Grote. Zo leert de edele vele woorden te pennen uit vroeger tijd en daden uit het verleden kennen, om daardoor zijn karakter te stalen en als de ure komt, nimmer te falen.

 

De hemel te midden van de berg valt op te vatten als een vingerwijs op de aldaar verborgen schatten. Zo ligt in de woorden en daden van het verleden een schat verborgen, die men in het heden gebruiken kan om eraan te werken zijn eigen karakter te stalen en te versterken. Dit is de juiste wijze van studeren: in plaats van slechts jaargetallen van buiten te leren, zich niet tot historische kennis te beperken, maar van moment tot moment in het besef eraan te werken het historische in alle soorten zaken door het toe te passen steeds weer actueel te maken.