<< Click to Display Table of Contents >>
28. TA KWO / HET OVERGEWICHT VAN HET GROTE
▬▬▬ ▬▬▬ boven Twéi, het meer, ▬▬▬▬▬▬▬ waaraan al het leven is ontsproten ▬▬▬▬▬▬▬ beneden Soen, ▬▬▬▬▬▬▬ de aanwakkerende wind ▬▬▬▬▬▬▬ het Zachtmoedige, het hout, ▬▬▬ ▬▬▬ en het hemelse kind
Het teken bestaat in de centrale domeinen uit achtereenvolgens vier sterke lijnen, die zoals gezegd in het midden zijn geplant en twee zwakke lijnen aan de buitenkant. Als de sterken buiten in overvloed en de zwakken binnen zijn, dan is het goed; dan is er vanuit het zicht in dit licht beslist geen sprake van overgewicht en tevens is er nergens in het land in het geheel niets bijzonders aan de hand. Hier heerst echter in feite overal exact het omgekeerde geval. Het teken stelt een balk voor (de nokbalk van een dak), die van binnen dik en zwaar, maar aan de uiteinden te zwak. Dat is geen toestand die men door kan laten gaan, hij moet opgeheven worden, want hij trekt onheil aan.
HET OORDEEL
Het Overwicht van het Grote rukt voor. Dreigend onheil, want de nokbalk buigt door. Het is bevorderlijk in zijn levensbaan een plaats te hebben, waar men heen kan gaan. Welslagen.
Het Overwicht van het Grote is excessief. De belasting vormt een te groot ongerief voor de dragende krachten. En met dit gegeven in gedachten laat het zich verwachten dat de nokbalk, waarop het gehele dak rust doorbuigt, want men is zich ervan bewust dat ondanks alle schone schijn de uiteinden ervan te zwak zijn. De tijd en de situatie zijn dus van dien aard, dat zich een buitengewoon probleem openbaart, zodat er op dit zeer refractair terrein buitengewone maatregelen nodig zijn om met het zicht op de dreigende wanakkoorden de eveneens buitengewone toestand meester te worden.
Daarom moet men op dit weerbarstige terrein te allen tijde erop bedacht zijn, om zo spoedig mogelijk in het woelige heden een overgang te vinden teneinde handelend op te treden. Dat belooft succes, zodra dit lukt. Want hoewel het sterke veel te zwaar drukt, is het toch in het midden, daar waar het uitmunt, dat wil zeggen in het innerlijke zwaartepunt, zodat op grond van deze conditie er geen gevaar is voor revolutie. Met maatregelen van gewelddadige aard bereikt men evenwel niets dat de moeite waard. Men moet de knoop ontwarren door zachtjes-aan de kern van de situatie binnen te gaan met andere woorden we moeten ons dwingen geleidelijk tot de kern van de situatie door te dringen (zoals dat door de eigenschap en het hard waaiende geluid van het ‘indringende’ teken Soen wordt aangeduid), dan zal in plaats van onheil door te drukken de overgang naar andere toestanden gelukken.
Daar is beslist groot meesterschap voor nodig, en met minder dan dat blijkt elke aandrang overbodig. Daarom blijkt het een buitengewoon machtig feit: de tijd van TA KWO is een grote tijd.
HET BEELD
Het meer gaat over de bomen heen en verpletterd daarbij stok en steen. Dat is het beeld van het weinig devote Overwicht van het Grote. Zo is de edele blij met elke nieuwe morgen en als hij alleen staat, onbezorgd vrij van zorgen. En als hij afstand moet doen van de wereld waarnaar men haakt, blijft hij te allen tijde onversaagd.
De buitengewone tijden van venijn van het Overwicht van het Grote zijn als een overstroming, waarin door overdaad in het kwadraat het meer letterlijk over de bomen heengaat. Maar net zo als elk onweer en ieder ontij: zulke toestanden gaan voorbij. In de afzonderlijke tekens is de juiste houding even voor zulke uitzonderlijke tijden aangegeven: het beeld van Soen is de boom, die gewis vast staat ook als hij eenzaam is, en de eigenschap van Twéi is de blijmoedigheid, die onversaagd blijft ook al moet ze mettertijd, afstand doen van de wereld waarnaar ze haakt en dientengevolge dan groot ongenoegen smaakt. |