<< Click to Display Table of Contents >>
41. SOEN / DE VERMINDERING
▬▬▬▬▬▬▬ boven zorgt de berg ▬▬▬ ▬▬▬ voor de noodwendige verhindering ▬▬▬ ▬▬▬ beneden de golfslag, ▬▬▬ ▬▬▬ het eeuwige op en neer, ▬▬▬▬▬▬▬ van het oerelement Twéi, ▬▬▬▬▬▬▬ het Blijmoedige, het meer
Het teken stelt vanuit de diepte van zijn stam een vermindering voor van het onderste trigram ten gunste van het bovenste, aangezien binnen dit domein de derde, oorspronkelijk sterke lijn naar boven is gegaan en van boven naar beneden de oorspronkelijk zwakke bovenste lijn in haar plaats is getreden.
Het onderste wordt dus door deze act ten behoeve van het bovenste in feite verzwakt. Maar dat is met part en deel wel een vermindering van het geheel. Als men dus bijvoorbeeld dusdanig knoeit dat men het fundament van een bouwwerk besnoeit, maar zijn bovenste muren daarentegen versterkt dan is het resultaat voornamelijk beperkt tot het droevige, maar voldongen feit: het geheel verliest zo aan stevigheid. Evenzo is zelfs in Luilekkerland een besnoeiing van de zogenaamde volkswelstand ten gunste van de regering kortweg achteruitgang, verontrust de mensen en maakt burgers bang. Het teken bedoelt aan te geven, vrinden, hoe deze welstandsverschuiving plaats kan vinden zonder dat door politiek smalltalk de welstandsbronnen in het volk en zijn lagere standen erdoor uitgeput raken, en men het ongenoegen van een stille armoede moet smaken.
HET OORDEEL
Vermindering met oprechtheid onwrikbaar verbonden bewerkt verheven heil zonder blaam op alle fronten. Men kan daarin nu standvastig zijn. Bevorderlijk is het juist op refractair terrein iets te ondernemen. Hoe voert men dat uit? Twee schoteltjes, dat is waar alles op duidt, mag men voor het offer gebruiken. Dan is alles weer paté, in kannen en kruiken.
Vermindering beduidt dus om een aantal redenen niet iets slechts onder alle omstandigheden. Vermeerdering en vermindering komen op hun tijd. Waar het hierop aankomt, is dat men de tijd begrijpt, en de armoede, die alom dreigt op te doemen, niet door lege schijn tracht te verbloemen.
Als door een tijd van geringe middelen prompt een innerlijke waarheid tot uitdrukking komt, mag men zich niet schamen voor eenvoud. Want eenvoud is dan op de keper beschouwd juist datgene, waardoor we de eigen innerlijke kracht zullen verkrijgen, die ons in staat stelt aan armetierige systemen iets ter verbetering te ondernemen. Het is dus, al lijkt het reeds een eeuwigheid in zwang, feitelijk van ondergeschikt belang, of de uiterlijke schoonheid van de cultuur, eens ontsproten aan de schoot der eeuwigen duur, met al haar overleverde waarden en normen, ja zelf de volmaaktheid van godsdienstige vormen onder de eenvoud te lijden zouden hebben, door een klein aantal armoedevalachtige handicappen. Men moet, al zulk dreigend ‘zuur’ ten spijt, van de kracht van de innerlijke gezindheid iets af kunnen nemen om daarmee de hullen van de leemten in de uiterlijke verschijning mee op te vullen. Dan vergoedt, wellicht enorm, de kracht van de inhoud de eenvoud van de vorm. Voor God heeft men geen valse schijn nodig, oftewel is deze totaal overbodig. Ook met geringe middelen kan het gelukken de gevoelens van zijn hart uit te drukken. 1
HET BEELD
Onder aan de berg is het meer: het beeld der Vermindering over en weer. Zo bedwingt de edele aldus zijn toorn en beteugelt hij zijn driften naar behoren.
Het meer, door de natuur uit de grond gestampt, onder aan de berg, stijgt op en verdampt. Daardoor vermindert het ten gunste van de berg, die zoals blijkt door zijn vochtigheid vervolgens wordt verrijkt. De berg is het beeld van de eigenzinnige kracht, welke zich soms tot toorn te verdichten tracht.
Het meer is het beeld dat tot de gedachte leidt van de losbandig uitgelaten vrolijkheid, die alras door verlies van normen en waarden in hartstochtelijke driften kan ontaarden, wanneer zij zich door al dit te misachten ontwikkelt ten koste van de levenskrachten. Daarom is vermindering noodzakelijk: de toorn moet op het juiste ogenblik door het stilhouden worden verminderd, zodat men zijn kwalijke gevolgen verhindert; en de instincten dienen ten zeerst door beperkingen te worden beheerst. Door een zodanige besnoeiing van de lagere zielskrachten laat zich dientengevolge verwachten, dat, zoals het beste blijkt, de hogere aanzichten van de ziel worden verrijkt.
1) Vgl. het penningske van de weduwe in het Lucas-evangelie. |