<< Click to Display Table of Contents >>

HOOFDSTUK 42. I / DE VERMEERDERING

 

▬▬▬▬▬▬▬   boven Soen, het Zachtmoedige,

▬▬▬▬▬▬▬   de wind, de ‘air-conditioning’

▬▬▬    ▬▬▬   beneden Tsjen,

▬▬▬    ▬▬▬   de donder, die luidruchtig is,

▬▬▬    ▬▬▬   verzetten de bakens voor een

▬▬▬▬▬▬▬   tijd van groei van betekenis

 

Het begrip van de Vermeerdering wordt uitgedrukt en bepaald doordat de onderste lijn van het bovenste trigram omlaag is gedaald en daar onder het benedenste trigram plaats heeft genomen, zo vermeerdering veroorzaakt, en daarmee een goed omen voor alle natuurlijke rechtspersonen, plus alles wat voor vermeerdering in aanmerking zou kunnen komen. Ook deze opvatting komt in rijmvorm vastgelegd in Het Boek der Veranderingen volledig tot zijn recht. Het ware heersen, ongeacht in welk domein, moet (dat zou het beste blijken) dienen zijn. Een offer van het hogere, waardoor het lagere aansterkt, dat een meer-worden van het lagere bewerkt, wordt kortweg groei genoemd, om daardoor meteen de geest aan te duiden, die als de enige alleen het in zijn macht heeft de wereld te helpen, haar door zijn kracht en volheid met profijt kan overstelpen.

 

HET OORDEEL

 

De Vermeerdering. Het is bevorderlijk voor alle systemen zowel iet of wat te ondernemen als ook, en wel in de geest van dit teken, het grote water over te steken.

 

Door het offer, dat van bovenaf met man en macht voor de groei van het lagere tot stand wordt gebracht, ontstaat in het volk door deze solidariteit een stemming van vreugde en van dankbaarheid, die voor de bloei van de gemeenschap in haar werkelijke betekenis buitengewoon waardevol is. Als de mensen hun leiders aldus zijn toegedaan, is het goed mogelijk met succes ondernemingen aan te gaan en zullen in alle bevolkingslagen ook moeilijke, gevaarlijke dingen slagen.

Daarom moet men in zulke winstepisoden, in dergelijke waarlijk fortuinlijke perioden, waarin alles zich gunstig ontwikkelt, door de vermeerdering tot vermeerdering geprikkeld, zijn tijd en zijn kracht binnen de perken vooral goed gebruiken en ook mee gaan werken. Deze tijd is als die, die alles zal lenigen, waarin hemel en aarde zich met elkaar verenigen; waarin de aarde in waardigheid voor oord de scheppende kracht des hemels deelachtig wordt en zo de levende wezens vormt en gestalte geeft totdat een ieder het heft vast in eigen handen heeft. De tijd van de groei verblijft niet tot sint-juttemis, daarom moet men ervan profiteren, zolang hij er nog is.

 

HET BEELD

 

Boven jaagt de wind en beneden brult de donder: Het beeld van de Vermeerdering in het bijzonder. Alzo de edele: ziet hij iets goeds, dan doet hij het na en doet het goedsmoeds. Heeft hij gebreken, dan legt hij ze af. En indien nodig weet hij te zwijgen als een graf.

 

Door gade te slaan hoe zonder genetisch geknoei donder en wind wederkerig elkaars groei keer op keer bevorderen en versterken, leert men hoe men binnen zijn eigen perken doeltreffend zowel aan zijn eigen groei kan werken als ook zonder dat men door falen zwicht zijn vervolmaking kan bevorderen tot het niveau van stromend evenwicht. Als men bij anderen in goed fatsoen iets goeds ontdekt, moet men het na gaan doen om zich zo in zijn haken en taken al het goede op aarde eigen te maken. Zodra men bij zichzelf iets verkeerds ontdekt, moet men dat afleggen uit zelfrespect. Op deze manier bewaart men zich voor schade en bevrijdt zich met name van het kwade. Deze ethische verandering als oppermachtig feit is de belangrijkste groei van de persoonlijkheid.