<< Click to Display Table of Contents >>
47. K’OEN / DE BENAUWENIS (DE UITPUTTING)
▬▬▬ ▬▬▬ boven Twéi, het Blijmoedige, ▬▬▬▬▬▬▬ het meer in opschudding ▬▬▬▬▬▬▬ beneden K’an, ▬▬▬ ▬▬▬ het Onpeilbare, het water, ▬▬▬▬▬▬▬ de grote man leeft in het nu, ▬▬▬ ▬▬▬ niet in het verleden of later
Boven is het meer, het water diep daaronder. Het meer is dus leeg, en zo is het geen wonder te veronderstellen dat in de loop van de geschiedenis het opgedroogd (letterlijk: ‘uitgeput’) is. Nog op een andere manier wordt de uitputting meegedeeld respectievelijk de benauwenis uitgebeeld: boven een donkere lijn, die met een korreltje zout twee lichte lijnen omlaag gehouden houdt; beneden een lichte lijn, geremd en gestremd tussen twee donkere ingeklemd. Het bovenste trigram hoort tot het type van het duistere ofwel donkere principe, terwijl het benedenste, dat hier wordt geringeloord, tot het lichte principe hoort. Zo worden overal de edelen teruggefloten, door de gemenen onderdrukt, en ingesloten.
HET OORDEEL
De Benauwenis. Welslagen. Standvastigheid. De grote man bewerkt heil, alle Benauwenis ten spijt. Geen blaam. En ook al is het geoorloofd, Als men iets te zeggen heeft, wordt men niet geloofd.
Tijden van rampspoed als onder het zwaard van Damocles zijn het tegendeel van succes. Niettemin kunnen ze tot succes leiden, als men weet hoe het kaf van het koren te scheiden met andere woorden als ze de juiste man treffen, die zich tot doeltreffend niveau weet te verheffen. Een sterk mens, die het ongenoegen smaakt, dat hij in de verdrukking geraakt, blijft in weerwil van alle gevaar blijmoedig bij de les, en deze blijmoedigheid is de grondslag voor zijn latere succes. Zijn innerlijke bestendigheid en onwankelbaar geloof in God is het wat nóg sterker is dan het noodlot met zijn plot. Wie zich door uitputting innerlijk laat breken, heeft inderdaad geen recht om van succes te kunnen spreken. Maar in een mens die steeds het Goede toe zal juichen, die er zich alleen door teneer laat buigen, wekt de benauwenis een kracht tot reactie, die net als een wrange frictie in de fractie, waaraan geen behoefte bestaat en dus niet prompt, maar mettertijd toch stellig aan het licht komt.
Doch daartoe is het gemeen niet in staat in zijn reilen. Slechts de grote man bewerkt heil en blijft vrij van feilen. Wel is het hem in zijn ‘verzet zonder verzet’ aanvankelijk onmogelijk om in naam van de wet, naar buiten invloed uit te oefenen die men op zal merken, daar zijn woorden niets uitwerken. Daarom is het in benarde tijden van het grootste belang geen jantje van leiden in alle staten, soorten en formaten, maar innerlijk sterk te zijn en niet te veel te praten.
HET BEELD
In het meer is geen water meer: het beeld van de Uitputting over en weer. Zo zet de edele – nimmer verbolgen – zijn leven op het spel, om zijn wil te volgen.
Als het water uit het meer naar beneden is gezakt, raakt het meer uitgedroogt, uitgeput en verzwakt. Dat is het noodlot. En in het I Ching staat geschreven: Dat is het beeld van een vijandig lot in het mensenleven. In zulke tijden kan men niets anders bedrijven dan zijn kruis dragen en zichzelf trouw blijven. Het komt daarbij echter aan op de veel geprezen en diepste laag van het menselijke wezen; want alleen deze is sterker dan het noodlot, dat ons van buitenaf treft met zijn benauwend plot. |