<< Click to Display Table of Contents >>

HOOFDSTUK 48. TJING / DE WATERPUT

 

  ▬▬▬    ▬▬▬   boven K’an, het Onpeilbare,

  ▬▬▬▬▬▬▬   het water zonder prut

  ▬▬▬    ▬▬▬   beneden Soen, het Zachtmoedige,

  ▬▬▬▬▬▬▬   de wind, het hout,

  ▬▬▬▬▬▬▬   zo wordt de Waterput sinds

  ▬▬▬    ▬▬▬   oude tijden op- en ingebouwd

 

Boven is water, beneden is het hout. Het hout gaat op de keper beschouwd omlaag in de aarde om zonder enig dralen het water uit de put omhoog te halen. Het beeld, dat hier aldus wordt benut, is ontleend aan de oud-Chinese wip-waterput. Met het hout zijn niet de emmers vermeld (die in oude tijden van klei werden samengesteld) maar de houten stang, door welks beweging via hydraulische kracht het water uit de bron naar boven werd gebracht. Het beeld duidt ook op de plantenwereld die afdaalt, die door haar wortels het water uit de aarde omhooghaalt. De put waaruit men bij voorkeur onbehept liefst fris en helder, dus schoon, water schept, wekt voorts de gedachte aan de niet te versmaden onuitputtelijke voedselvoorraden.

 

HET OORDEEL

 

Men kan wel de stad verleggen, maar de waterput niet. Hij neemt niet af en neemt niet toe, ongeacht het gebied. Zij komen en gaan, rijk of blut, en scheppen allen uit de waterput. Als men het welwater bijna heeft bereikt, maar het touw net niet lang genoeg blijkt, of de kruik breekt stuk, dan brengt dat ongeluk.

 

De hoofdsteden werden in de regel terecht in het oude China soms verlegd, hetzij ter wille van een gunstiger ligging misschien, hetzij bij de wisseling der dynastieën. De bouwstijl wisselde in de loop der eeuwen wel even, maar de vorm van de waterput is als een vast gegeven vanaf oeroude tijden in ieders leven tot op de huidige dag dezelfde gebleven. Zo is de waterput voor iedere generatie het symbool van de maatschappelijke organisatie in haar meest primitieve levensbehoeften voor Jan Publiek, die onafhankelijk is van alle politiek. De politieke structuur wisselt om de haverklap, de naties wisselen, zij het ook wat minder rap, maar het leven der mensen met zijn eisen aan het leven blijft voor eeuwig hetzelfde vaste gegeven. Daaraan valt niets te veranderen. Maar wat wel opvalt en nadrukkelijk: Dat leven is echter ook onuitputtelijk. Het neemt toe noch af, en sindsdien het verscheen is het er letterlijk voor iedereen. Geslachten komen en geslachten gaan, en zij allen genieten in volle teugen en spontaan alle barre en boze realiteiten ten spijt het leven in zijn onuitputtelijke volheid. Voor een goede staatkundige of maatschappelijke organisatie van de mensheid zijn echter twee dingen nodig. Ten eerste is het afdalen tot de manifestatie van de grondslagen van het leven beslist niet overbodig. Het blijkt maatschappelijk een intriest gegeven, dat alle oppervlakkigheid in de ordening van het leven, die uiteraard bij gebrek aan ruggengraat de diepste levensbehoeften maar onbevredigd laat, even onvolkomen is als had men als een pantoffelheld in het geheel geen poging tot ordening in het werk gesteld. Vervolgens is onachtzaamheid, al dat ruste- en gedachteloze – waardoor de kruik ten slotte breekt – altijd uit den boze.

 

Als er bijvoorbeeld de militaire bescherming van een staat zo zeer wordt overdreven, dat er oorlog door ontstaat waardoor de macht van de staat wordt vernietigd en verloren gaat, dan staat dat gelijk aan machtsmisbruik oftewel met het ‘breken van de kruik’. Maar ook op de enkeling is dus het hexagram van toepassing. Hoe verschillend de aanleg van base-line- tot en met Superbrein en de ontwikkeling der mensen ook mag zijn, de menselijke natuur blijkt op termijn bij iedereen hetzelfde te zijn. Een ieder mens kan bij zijn vorming putten, en de oneindig rijke bron benutten, uit de goddelijke natuur van het menselijk wezen; het wezen waaraan de mensheid dient te genezen.

 

Maar ook hier blijkt er aan deze kwestie eigen, dat er continu twee gevaren dreigen: het kan zijn, dat men steeds als op twee gedachten hinkt en dat men bij zijn karaktervorming niet doordringt tot wat de eigenlijke wortel van het mensdom is gebleken, maar daarentegen in conventie blijft steken – zulk een halve beschaving is in het algemeen even erg als in het geheel geen – òf dat men plotseling ineenstort en verpoosd en de vorming van zijn karakter verder verwaarloost.

 

HET BEELD

 

Boven het hout is het water bevrijd van alle prut: dat is het beeld van de goede Waterput. Zo moedigt de edel heel het volk aan, en vermaant het elkaar te helpen en bij te staan.

 

Onder is het trigram Soen, dat beduidt het hout; het trigram K’an daarboven wordt als water beschouwd. Het is het hout dat het water naar boven zuigt en op zijn pad naar boven zich om de obstakels heen buigt. Gelijk het hout het water dus naar boven loodst en als organisme de werkzaamheid van de waterput nabootst, die het water door beweging naar het oppervlak pompt, wat bij het hout alle delen van de plant ten goede komt, zo ordent de edele de menselijke maatschappij, zodat ze – in plaats van een reactieve brij – als een planten-organisme doeltreffend-structureel in elkaar grijpt ten bate van het algeheel.