<< Click to Display Table of Contents >>
56. DE REIZIGER / LU
▬▬▬▬▬▬▬ boven Li, het vuur ▬▬▬ ▬▬▬ het Zich-Hechtende in casu ▬▬▬▬▬▬▬ beneden Ken, ▬▬▬▬▬▬▬ het Stilhouden, de berg ▬▬▬ ▬▬▬ de Grote Man zorgt ervoor ▬▬▬ ▬▬▬ dat hij het noodlot niet tergt
De berg (Ken) staat stil en op zijn top vlamt boven het licht van een vuur (Li) op. Maar het blijft er niet en zo wordt men gewaar: daarom blijven ze niet bij elkaar. Het lot van de zwerver is scheiding en vreemde landen, weinig vrienden en (geen) familiebanden.
Het Oordeel
De Zwerver. Door kleinheid welslagen. Standvastigheid brengt de zwerver goede dagen.
Als zwerver en vreemdeling mag men in zijn aangelegenheden niet te veel pretenties hebben en tevens niet ruw optreden. Men heeft ook geen grote kennissenkring; het aantal vrienden is uiterst gering; en zelf met behulp van korte metten mag men dus zeer zeker geen hoge borst opzetten. Men moet bovendien op ieder terrein gereserveerd optreden en zeer voorzichtig zijn. Alleen maar door het volgen van deze rode draad beschermt men zich dan inderdaad tegen het kwaad. Als men daar waar men niet in zeven talen dient te zwijgen voorkomend is jegens anderen, zal men voordeel verkrijgen. De zwerver heeft weinig incluis geen vaste woonstede, de straat is zijn tehuis. Daarom moet hij ervoor zorgen, dat hij zonder gemis innerlijk rechtschapen en betrouwbaar is, alleen op goede plaatsen gaat en staat en alleen maar met goede mensen omgaat. Dan heeft hij geluk en kan hij in plaats van verbolgen ongestoord zijn eigen weg vervolgen.
HET BEELD
Op de berg is het vuur: dat is heinde en ver als het ware het beeld van de zwerver. Zo is de edele klaar van geest en bovendien in het toepassen van straffen voorzichtig en kien, en houdt hij per se een proces niet slepende.
Als het gras op de berg brandt, geeft dat een helder licht. Maar het vuur blijft niet en verdwijnt ras uit het zicht. Het gaat als het ware gejaagd door de wind daarheen waar het nieuw voedsel vindt. Het is net als het leven: weliswaar de moeite waard, maar ook een snel voorbijgaand verschijnsel van tijdelijke aard.
Zo moet het ook zijn met straffen en processen als gevolg van onmenselijke excessen. Die moeten op dit refractair terrein een even snel voorbijgaand verschijnsel zijn en niet door bijvoorbeeld een 'Wijze' Raad der Ouden over jaren en jaren slepende worden gehouden. De gevangenissen behoren met het zicht op de systemen de mensen slechts voor korte tijd, als passanten, op te nemen; en moeten in het licht van alle wanakkoorden dus geen blijvende woonsteden van de mensen worden. |