<< Click to Display Table of Contents >>
62. SIAU KWO / HET OVERWICHT VAN HET KLEINE
▬▬▬ ▬▬▬ boven Tsjen, het Opwindende, ▬▬▬ ▬▬▬ de donder in het reine ▬▬▬▬▬▬▬ beneden Ken, ▬▬▬▬▬▬▬ het Stilhouden, de berg ▬▬▬ ▬▬▬ zo maakt het zelfs de edele ▬▬▬ ▬▬▬ soms een beetje te erg
Terwijl bij het teken ‘Het Overwicht van het Grote’ (nummer 28) de in de meerderheid zijnde sterke lijnen zijn ingesloten en daarbij te midden tussen de beide weke lijnen staan, één aan het begin beneden en één aan het einde (bovenaan) overheersen hier aan de buitenkant de zwakke lijnen, terwijl de sterken binnen (in het midden) verschijnen. Alle sterke lijnen zijn hier dus aan de binnenkant, en daarop berust juist de uitzonderingstoestand. Zijn de sterke lijnen buiten, dan hebben we het teken I, ‘Voeding’, en Tsjoeng Foe, ‘Innerlijke Waarheid’, die echter alle beide naar verluiden dus beslist geen uitzonderingstoestanden aanduiden. Als de sterken binnenin in alle facetten het overwicht hebben, moeten zij zich doorzetten. Dat loopt uit op strijd en bijzonder idiote uitzonderingstoestanden in het grote.
Hier daarentegen moet nu noodgedwongen het zwakke als het ware op de toppen van zijn longen in het kader van een tijd vol van extremen naar buiten de vertegenwoordiging op zich gaan nemen. Als men een belangrijke positie inneemt, terwijl men beslist van nature eigenlijk de capaciteiten daarvoor mist, moet men reeds van begin af aan uitermate voorzichtig te werk gaan.
HET OORDEEL
Het Overwicht van het Kleine. Welslagen. Bevorderlijk is standvastigheid in dergelijke dagen. Men kan kleine dingen doen in zijn goede fatsoen, Maar grote dingen mag men nu niet doen. De vliegende vogel brengt de boodschap voor even: Het is niet goed om omhoog te streven. Het is wel goed om onderwijl beneden te blijven. Groot heil!
Uitnemende bescheidenheid en plichtsgetrouwheid zullen zeker met succes worden bekroond mettertijd; men dient er alleen voor te zorgen, dat deze deugden mettertijd niet ontaarden in holle frasen en kruiperigheid; men moet in zijn persoonlijk optreden de juiste koers blijven varen, zichzelf niet weggooien en de juiste waardigheid weten te bewaren. In plaats van de kat in het donker te knijpen, moet men de eisen van de tijd begrijpen, om de juiste remedie te kunnen vinden, die dan leidt naar het tenietdoen van de gebreken en de noden van de tijd. Toch mag men met dit alles in gedachten daar echter niet te veel van verwachten, daar men ongeacht op welk doel men mikt niet over voldoende kracht beschikt. Daarom is de boodschap dat men nu even niet naar hoge dingen moet streven, want dat zet momenteel geen zoden aan de dijk, maar zich bij het lagere houden zo belangrijk.
De structuur van het teken wijst op de toedracht, dat de boodschap hier door een vogel wordt gebracht. De vier sterke, zware lijnen van binnen, die onder wanakkoorden slechts door twee zwakke lijnen aan de buitenkant gesteund worden (vgl. nr. 28: Ta Kwo) laten bovendien het beeld van de loodzware nokbalk zien. Hier zullen zich de dragende weke lijnen aan de buitenkant bevinden en in de meerderheid verschijnen; wat dan overduidelijk het beeld aangeeft van een vogel die door het luchtruim zweeft. Maar de vogel moet niet te hoog willen vliegen en zich verbeelden of zichzelf beliegen, laat staan misschien wel ervan dromen dat hij wel tot de zon kan komen; hij moet doen wat het beste zou blijken, daar waar zijn nest is, op de aarde neerstrijken. Daarmee brengt hij op weg naar zijn toevluchtsoord de boodschap die door het teken verkondigt wordt.
HET BEELD
Op de berg is de donder, met zichzelf in het reine: Het beeld van het Overwicht van het Kleine. Zo hecht de edele in zijn levenswandel uitgebreid Het meeste gewicht aan de piëteit. Bij sterfgevallen hecht hij met beleid Het meeste gewicht aan de droefheid. Bij zijn uitgaven betracht hij in de eerste plaats De spaarzaamheid als iets probaats.
De donder op de berg heeft een meer compacte en opvallend hardere klang dan die in de vlakte. In de bergen is de donder veel dichterbij en lijkt zijn geluid veel meer op razernij, terwijl hij buiten het gebergte keer op keer minder hoorbaar is dan de donder van een gewoon onweer. Zo ontleend de edele aan dit beeld voorgoed de opwekking om in alles wat hij doet zijn aandacht in een aanzienlijk hoger licht intensiever te concentreren op de plicht dan een alledaags mens dit pleegt te doen, en er zich in zijn goede fatsoen niets van aan te trekken, dat zijn gedrag misschien kleinzielig zal lijken van buitenaf bezien.
Alles wat hij doet neemt hij rigoureus buitengewoon ernstig en serieus; bij sterfgevallen hecht hij veel meer waarde voor gewoon aan de innerlijke ontroering dan aan uiterlijk vertoon, en bij zijn persoonlijke uitgaven is hij zeer eenvoudig en bescheiden, keer op keer en telkens weer. Door dit alles blijkt hij tegenover de doorsnee-mens een uitzonderlijke verschijning in ieder tendens. Maar de essentiële betekenis en zin van zijn houding die hij aanneemt ligt daarin, dat hij zich naar buiten steeds met zijn eigen aard aan de kant van het geringe en onaanzienlijke schaart. |