<< Click to Display Table of Contents >>

No contents entries on this page

Contents

Hallo! Ik ben Ingur. En ik doe alles digitaal.

Op de afdeling ‘ondermijning van de arbeidsmoraal’.

Laten we dus maar onmiddellijk beginnen,

want met ‘later’ valt er geen bloempot meer te winnen.

 

Met de geboorte alleen – zelfs na 42 weken –

is het leven dus nog lang niet bekeken.

Alles wat geboren wordt, zolang het hart nog pocht,

moet van de eerste tot de laatste ademtocht,

dus in alle situaties, de rug blijven rechten

om voor het behoud van zijn leven te vechten.

 

Deze strijd is voor elk wezen op aarde

de eerste en onverbiddelijke levensvoorwaarde

voor het voortbestaan - tot de ondergang doemt -

en wordt vanzelfsprekend arbeid genoemd.

 

Ik maak daarbij onder geen enkel beding

voor geen enkel levend wezen een uitzondering.

 

Zij werken allemaal op allerlei gebieden

terwijl zij voortdurend wachten en spieden,

verzamelen en opslaan in zelfgebouwde gangen,

loeren, sluipen, opjagen en vangen.

 

Zij leggen bekwaamheid, ijver en kracht

en doorzettingsvermogen aan de dag,

tonen zelfbeheersing en scherpzinnigheid,

zijn voorzichtig en tot geduld bereid.

 

Ze zijn vlug en kennen de klappen van de zweep,

hebben besluitvaardigheid en zekerheid in de greep.

Wat is dit nu anders dan in waarheid

arbeid, arbeid en nog eens arbeid?

 

En daar allen die willen leven elk seizoen

aan de eisen van het bestaan moeten voldoen

zorgt de natuur ervoor dat zeker en wis

voor alles wat leeft de arbeid ook een vreugde is.

 

Zo blijkt dan de arbeid voor groot en voor klein,

- dus voor allen - een doel in zichzelf te zijn

en laat zich de arbeid op zichzelf buitendien

als een zinvolle morele levensvervulling bezien.

 

’Noemt u mij eens een plant’ zei José obstinaat

‘waarvoor dit alles ook daadwerkelijk opgaat.’

 

De gehoorzaamheid aan de wet is op den duur

onafhankelijk van het bewustzijn, antwoordde Ingur.

 

 

Als de wortels zoekend in de aarde dringen,

zich om alle de obstakels heen moeten wringen

en zich naar plaatsen wenden, daar waar fris

en deugdelijk voedsel te vinden is,

om onder de druk van barsten of buigen

de bodem omwoelen en zijn stoffen opzuigen;

als het vaatstelsel de stoffen scheidt

en de levensstroom steeds verder leidt;

 

als de bladeren ademen en voedsel opnemen

en nieuwe stoffen vormen en nieuwe systemen;

als uit het kleine kiemzaadje de boom opgroeit,

die honderden jaren met de elementen stoeit;

wat is dat dan anders dan in waarheid

arbeid, arbeid en nog eens arbeid?

 

Alleen door arbeid kan iets nieuws ontstaan.

En na gedane arbeid voelt men zich voldaan.

Alleen door arbeid die werkelijk blijft boeien

kan het grote uit het kleine opgroeien,

wat zelfs voor de arbeid der cellen geldt,

daar ook de cel tot de levende wezen telt.

 

Zoals u ziet doordringt de eis tot arbeiden

de gehele levende wereld sinds het begin der tijden.

Voor elk korreltje, druppeltje, elk klompje voedsel vraagt

de natuur een handeling die slecht door inspanning slaagt.

 

Inspanning is de prijs van het leven.

Wie die niet opbrengt door de brui eraan te geven,

zelfs als dit uitermate uitgekiend geschiedt,

die verdient het leven niet,

ja, ik zou willen zeggen dat op de lange termijn

arbeid en leven hetzelfde zijn

en er zou voor het bezig zijn voortaan

eigenlijk geen apart woord hoeven te bestaan.

En om het voor u alvast te bederven:

Wie niet werkt die moet sterven.

 

Hieruit volgen de waarden en normen:

De drie wetten, die de grondslag vormen

voor alles wat leeft – voor jong en oud –

en elk bestaan verzekeren dat er zich aan houdt.

 

Ten eerste dient men op te merken:

Alles wat leeft moet daadwerkelijk werken.

Daarom moest ik dus iets bekokstoven

om de mensen van de arbeid te beroven.

Ik ga daarbij uit van het volgende gegeven:

Wie de arbeid afschaft, vermoordt het leven.

 

’Dat is u dan toch’, riep Benny verrukt,

‘maar mooi in geen enkel opzicht gelukt.

De mensheid heeft per individu

nog nooit zo onafgebroken gewerkt als nu.’

 

Als u in plaats van me maar te onderbreken

mij naar behoren had laten uitspreken,

had u zich deze opmerking kunnen besparen.

Want de tweede wet luidt sinds ettelijke jaren:

 

Het is een feit dat er alleen maar dan

van zedelijke arbeid sprake zijn kan,

indien hij daadwerkelijk van vroeg tot laat

geheel in dienst van het leven staat.

Hieruit komt mijn taak voort de menselijke dadendrang

tégen het leven te richten en op zijn eigen ondergang.

 

Meent u misschien het is te gewaagd

te beweren dat ik ook daarin niet ben geslaagd?

Jan schudde enigszins onzeker het hoofd.

’U bedoelt…?’ Maar zijn woorden werden uitgedoofd.

 

Ten derde, vervolgde Ingur ras

en leek op dit punt bijzonder in zijn sas:

Een ieder die werkt heeft feitelijk het volste recht

dat het resultaat van zijn inspanning in eigen handen wordt gelegd.

Ik zorg ervoor dit steeds grondig te verknoeien,

zodat arbeid en rijkdom niet aan dezelfde boom groeien.

Het gevolg ervan is het machtige feit

dat elke vorm van fatsoenlijke arbeid

die vruchten afwerpt door inspanning en zweet

elke waarde verliest, concreet en compleet.

Alle arbeid is tot in nanoseconden

volgen de natuurwetten aan inspanning gebonden.

De machine is echter zo geconstrueerd

dat ze zonder inspanning maximaal produceert.

Met de machine heb ik de mensheid gestraft

en de moraal van de prestatie afgeschaft.

De loonmoraal met al haar symptomen

is er vervolgens voor in de plaats gekomen.

Wie een beroep moet kiezen tracht niet meer uit te kienen

met welke begaafdheden hij het leven kan dienen,

maar vraagt zich enkel en alleen bevreesd:

hoe verdien ik het gemakkelijkst het meest?

De arbeid is in een dergelijke sfeer

geen vrije levensvervulling meer,

doch horigheid, geen levenswaarde,

maar een middel waarmee men overal op aarde

in eerste instantie tracht uit te kienen

hoe het meeste geld te verdienen.

Ik ga ervan uit dat u nu snapt

dat daardoor het geluk van de arbeid is vertrapt.

De machine zal altijd sneller presteren

en meer dan mensenhanden produceren.

Zij is voor haar speciale taak

volmaakter dan de mens gemaakt.

Hierdoor is een wereldomvattend en profaan

minderwaardigheidscomplex ontstaan,

waaraan zich niemand, geen vrouw en geen man

op geen enkele wijze meer onttrekken kan,

een inferioriteitsgevoel dat knaagt

en dat het zelfbewustzijn verlaagt,

het karakter verzwakt tot het verbleekt,

en tot slot de kracht der persoonlijkheid breekt.

De machine wakkert bovendien vaak spontaan

een opvallend intensieve mensenhaat aan.

En er is nog een punt dat veel problemen geeft:

De machine produceert meer dan de mens nodig heeft.

 

 

Om in deze frustrerende gang van zaken

de genormaliseerde massagoederen kwijt te raken,

heeft de machine voor een doorstroom naar wens

nodig de genormaliseerde massamens.

Zo is de machine reeds alleroorden

de moeder van de massa-vorming geworden.

Zij heeft van de productie die zij nimmer staakt

een catastrofale ondeugend gemaakt.

En daar de mens steeds minder wil werken,

maar zich in niets wenst te beperken,

en steeds maar meer van het leven verlangt

en steeds sneller en sneller zijn goederen afdankt,

worden de machines ieder jaar krachtiger,

steeds talrijker en almaar machtiger.

Deze mens, die zijn machines continu machtiger maakt,

is reeds hopeloos bij zijn eigen schepping achter geraakt.

De machine is vandaag de dag alleroorden

de meesteres van de wereld en de mens haar slaaf geworden.

Zij is heerseres, despoot, dictator en tiran

en niets en niemand die iets tegen haar beginnen kan.

Met elke machine die zich weet te handhaven

wordt een stuk menselijke vrijheid begraven.