60 - Jie Limitation

<< Click to Display Table of Contents >>

Navigation:  IChing > NL >

60 - Jie Limitation

Previous pageReturn to chapter overviewNext page

HOOFDSTUK 60. TJ'IÈ / DE BEPERKING

 

  ▬▬▬    ▬▬▬   boven K'an, het Onpeilbare

  ▬▬▬▬▬▬▬   het water in zijn wisselwerking

  ▬▬▬    ▬▬▬   beneden Twéi, het Blijmoedige,

  ▬▬▬    ▬▬▬   het meer dat vol met water is,

  ▬▬▬▬▬▬▬   maar toch opdroogt in de loop

  ▬▬▬▬▬▬▬   van de geschiedenis

 

Het meer dat op zich wel eindeloos lijkt heeft een beperkte ruimte en een beperkt bereik. Komt er meer water naar binnen loopt het met korte metten over op grond van natuurkundige wetten. Daarom dient men hier nu op te merken dat men de watertoevloed moet beperken. Het beeld toont ons water beneden en bovenin, met het firmament ertussen als afgrenzing. Het Chinese woord voor beperking correspondeerd met het beeld van de vaste geledingen, waardoor de bamboestengels zijn ingedeeld. In het gewone leven, dat overal krioelt, wordt daarmee ook de spaarzaamheid bedoeld, die zolang als men maar heel gewoontjes leeft vaste grenzen voor haar uitgaven heeft.

 

In het morele leven van god en de mensen zijn het de vastomlijnde grenzen, die de edele volgens het Boek der Veranderingen zichzelf stelt voor al zijn handelingen, de grenzen van trouw en belangeloosheid, al het oude zeer ten spijt. Maar in het gewone, in het dagelijkse leven is aan het woord nóg een betekenis gegeven. Bedoeld is de spaarzaamheid waarmee men leeft, die vaste grenzen voor haar uitgaven heeft.

 

HET OORDEEL

 

      Beperking: Weslagen zonder snoeven.

      Bittere beperking mag men niet blijvend beoefenen.

 

Beperkingen zijn uiteraard bezwaarlijk. Maar ze richten iets uit en werken waarlijk wonderbaarlijk. Door spaarzaamheid in het dagelijkse leven als een eerste vereiste en als een vast gegeven is men, en dat is zeker lang niet gek, bij uitstek gewapend tegen tijden van gebrek. Zich terug te houden gaat uiteraard gepaard met het feit dat men zich zo beschaming bespaart. Maar even onontbeerlijk zijn grenzen en beperkingen in de ordening der cosmische verhoudingen en hun werkingen. De natuur heeft de vaste grenzen bedacht voor winter en zomer, voor dag en nacht, en door deze grenzen in de loop van de geschiedenis krijgt het jaar zijn betekenis.

 

Het nut van de spaarzaamheid laat zich ook wel staven, dat door de vaste grenzen in de uitgaven men het verlies van de goederen kan vermijden en de mensen zo geen nadeel zullen lijden. Ook in de beperking met al haar bezwaren moet men echter maat weten te waren. Als men zijn eigen natuur naar eigen zeggen al te bittere beperkingen zou willen opleggen, dan laat het zich op den duur niet vermijden, dat zij daaronder beslist zou gaan lijden. Als men de beperking van leden en lijven al der anderen te ver zou willen drijven, dan zouden ze uiteindelijk strikt genomen beslist ertegen in opstand komen. Daarom valt er over de beperking op te merken: naar het schijnt moet men zelfs de beperking beperken.

 

HET BEELD

 

Boven het meer is water gelegen; het beeld van de beperking komen we hierin tegen. Zo schept de edele getal en maat en onderzoekt hij als ware man van de daad in de loop van zijn geschiedenis wat deugd en juiste levenswandel is.

 

Het meer is eindig: omdat het dus een einde heeft; het water is onuitputtelijk terwijl het zelf voor eeuwig leeft. Het meer kan altijd slechts een bepaald gedeelte ‘jatten’ en een bepaald gedeelte van het oneindige water bevatten; dat geeft aan het meer zijn eigen aard, noemens- en vermeldenswaard. Door het stellen van grenzen, afzondering en belijdenis, verkrijgt in het menselijke leven ook het individu zijn betekenis.

 

Waar het hier dus om gaat, is zich te dwingen het probleem deze afzonderingen ― in zekere zin de ruggenraat van de moraal ― klaar en duidelijk te omlijnen in heldere taal. Onbeperkte mogelijkheden zijn in hun quintessens helemaal niets voor de mens. Daardoor zou hij de beperking verknoeien en zijn leven slechts in het grenzeloze vervloeien. Om werkelijk sterk te worden in plaats van overbodig heeft men de beperking door de plicht keihard nodig. Alleen door vrijwillig voor zichzelf te claimen deze beperkingen op zich te nemen en eigener beweging in het licht van dit zicht zich te onderwerpen aan het gebod van de plicht, verkrijgt de enkeling die de beperking niet vreest aldus betekenis als vrije geest.